Onze stichting is al geruime tijd verwikkeld in een vervelende discussie met het college van Oost Gelre over onze ontvankelijkheid in bestuursrechtelijke procedures. Recent maakten wij bezwaar tegen de vergunning voor een mestvergister aan de Boerijendijk te Groenlo. In dat bezwaar hebben wij de tekortkomingen in de vergunningverlening uitgebreid en onderbouwd uiteengezet. Het enige verweer van het college was opnieuw dat onze stichting niet‑ontvankelijk zou zijn.
Wij constateren dat sprake is van willekeur. In het verleden verklaarde Oost Gelre ons zonder discussie wél ontvankelijk. Bovendien behandelden twee buurgemeenten — Oude IJsselstreek en Bronckhorst — vergelijkbare bezwaren tegen mestvergister-vergunningen gewoon inhoudelijk, zonder onze ontvankelijkheid ter discussie te stellen.
Desondanks koos de commissie Rechtsbescherming in Oost Gelre ervoor het standpunt van het college te volgen en ons bezwaar niet‑ontvankelijk te verklaren. Om te voorkomen dat het ontzeggen van ontvankelijkheid een instrument wordt om ‘lastige opponenten snel af te serveren’, hebben wij beroep ingesteld. De zitting heeft inmiddels plaatsgevonden en afgelopen week ontvingen wij de uitspraak. Zoals te verwachten was, zijn wij volledig in het gelijk gesteld. In het vonnis staat:
“Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Dat betekent dat het college inhoudelijk moet beslissen op het bezwaarschrift. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht vergoeden.“
Het college moet nu alsnog een inhoudelijke beoordeling van ons bezwaar geven. Of daarmee “eind goed, al goed” is, moet nog blijken.
Wij zijn vooral benieuwd hoe het college ons in toekomstige dossiers zal behandelen: blijft men proberen onze inbreng op voorhand af te serveren, of kiest men voortaan voor een zorgvuldige en constructieve inhoudelijke afweging?

