De Nederlandse kalverensector presenteert zich graag als efficiënt, innovatief en ook economisch onmisbaar.*) Maar achter dat zorgvuldig gepolijste imago schuilt een werkelijkheid die steeds moeilijker te verdedigen valt. Een sector die draait op geïmporteerde jonge dieren, structurele overschrijding van milieugrenzen en een verdienmodel dat alleen kan bestaan dankzij het wegkijken van overheid en politiek. Het is tijd om de façade te doorbreken.
Nederland is wereldwijd koploper in het houden en slachten van kalveren, een bizarre positie voor een land dat zichzelf graag neerzet als gidsland in duurzaamheid. Jaarlijks worden honderdduizenden kalveren, een paar dagen oud uit heel Europa over land en zee hierheen gesleept, vaak na lange, stressvolle transporten. Dat daarbij 5 tot 10 % onderweg het lootje legt wordt ingecalculeerd. De sector noemt dat “logistiek”, maar het is in feite een systeem dat dieren reduceert tot afvalproduct van de melkveehouderij.
De milieudruk is vooral problematisch omdat veel kalverbedrijven rond Natura-2000 gebieden zijn geconcentreerd (Veluwe, Gelderse Vallei). Ze produceren bijna 2,5 miljoen ton drijfmest, die vrijwel voor 100% moet worden afgevoerd omdat de kalvermesterijen geen grond bezitten. Geur- en fijnstofoverlast gaan ten koste van omwonenden en de 1500 stalhouders zelf; de laatste werken voor in totaal 480 eigenaren (contractgevers) die zelf buiten schot blijven.
Er worden nog regelmatig nieuwe vergunningen verstrekt, vaak gebaseerd op drijfzand, keer op keer worden deze juridisch afgeserveerd. De sector weet dat, de overheid weet dat, maar het systeem draait door, alsof die realiteit niet bestaat.
Ook economisch is het verhaal wankel. De marges zijn flinterdun, de afhankelijkheid van veevoerimport is groot, afzetkosten van mest duur en de maatschappelijke weerstand groeit. De sector houdt zichzelf in stand door te wijzen op werkgelegenheid (beperkt) en vooral op de betekenis voor de export.
Maar dat laat zich makkelijk omdraaien: als jonggeboren kalveren hoofdzakelijk geïmporteerd worden, het voer eveneens en de productie voor ruim 90% wordt geëxporteerd terwijl de mest hier achterblijft en de werkgelegenheid uiterst gering is en het dierenleed buitenproportioneel, alleen slechts 480 eigenaren er echt baat bij hebben en er ook nog de nodige subsidie naar de sector vloeit (mestverwerking), “waar zijn we dan helemaal mee bezig?”
De kern van het probleem is simpel: de kalverensector is geen toekomstbestendig onderdeel van een duurzame landbouw. Het is een overblijfsel van een agro-industriële logica die niet langer past bij de maatschappelijke opdracht waar Nederland voor staat. Een sector die structureel leunt op dierenleed, milieuschade en uitsluitend gericht is op de export, heeft op de huidige schaalgrootte geen toekomst.
Vanuit de Tweede Kamer zijn er regelmatig moties aangenomen dat de kalversector zou moeten inbinden. Zie dit blog van Nick Ottens. Maar het lijkt erop dat de agrolobby, die voorheen zelfs het ministerie bestierde, dat tot nu toe heeft weten tegen te houden.
*) Met 2 miljard (2024) is de sector ‘goed’ voor 0,18% van het Bruto Binnenlands Product en met 22.000 arbeidsplaatsen vormt het 0,26% van de werkgelegenheid. Als de maatschappelijke kosten door ammoniakuitstoot en CO2-equivalenten worden afgetrokken, resteert 1,65 miljard toegevoegde waarde.
Zie ook: https://www.dierencoalitie.nl/nieuw-rapport-verhoogt-druk-op-noodzakelijke-transitie-kalverhouderij/
Rapport ‘Het kalf in een dierwaardige veehouderij’, Schuttelaar & Partners

